Wilgen knotten

De typische vorm van knotwilgen ontstaat door de stam van jonge bomen op 1,5 á 2 m boven de grond af te zagen. Alle nieuwe scheuten ontstaan dan ter hoogte van het zaagvlak. Om de 3 á 5 jaar moeten de scheuten opnieuw worden afgezaagd (het knotten), anders worden ze te zwaar en kan de hele boom in elkaar storten. 

Vroeger waren de loten voor de boeren van nut als gebruikshout in de stal. De economische noodzaak om te knotten is er niet meer, maar het knotten is gebleven.

Knotbomen horen in het cultuurlandschap

Knotbomen zijn een kenmerkend element in ons cultuurlandschap en ze bieden nestgelegenheid aan o.a. Wilde eend en Steenuil. Het knotten wordt tegenwoordig vaak door vrijwilligers wordt gedaan. Rond Elst en in de uiterwaarden tussen Randwijk en Heteren doet SOGN dit samen met de stichting Knotwilg en Natuurontwikkeling Heteren Randwijk.

Wilgen knotten is een gezellige, sociale activiteit in de buitenlucht, waar in principe iedereen aan mee kan doen. De werkzaamheden bestaan uit het zagen in de boom, verslepen van takken, uitzagen van het dikke hout voor de kachel en het klaar leggen van het overige hout voor de versnipperaar. In de uiterwaarden wordt het hout direct naar de dijk versleept waar het later wordt versnipperd.

Knotten is niet geheel zonder risico. Ben je nieuw als vrijwilliger, lees dan eerst de informatie op Landschapsvrijwilligers.

Waar nodig planten we nieuwe wilgen aan. Met een grondboor maken we een gat van liefst wel 70 cm tot 1m diep. Dat ligt er aan of de sliet (de rechte wilgentak) bij voldoende vocht kan komen. Daarin planten we een rechte wilgentak van 2 tot 2,5 m lang en meer hoeven we niet te doen, de tak maakt haar eigen wortels!

Knotbomen leveren mooie plaatjes en literaire kunstuitingen

Knotwilgen zie je veel langs de waterkant…..
maar b.v. ook langs oprijlanen

De plaatjes en het gedicht hieronder laten zien hoe prachtig het resultaat er uit kan zien!

De functie van gezichtsbepalend landschapselement uit zich ook in de literatuur.
Hier zijn eerste en de twee laatste coupletten van een gedicht door
Carel Steven Adama van Scheltema uit 1906.

Daar waren eens zeven wilgen
In ene boerenwei.
Die droegen grote pruiken op
Hun oude harde houten kop
En stonden op een rij.
En hunne pruik met haren
Die kwam nooit tot bedaren-
Zij knikten al maar: “ja en neen,”
Wat dat beduidde, wist er geen!
… … …

Toen werd op ’t laatst hun pruikebol
Zo alleraakligst lang,
Dat iedereen van schrik wegliep-
De vogels riepen:”Piep piep piep”
En werden ook al bang.
En ieder zei:”wat vreeslijk!
Dat’s zeker ongeneeslijk!”
De wilgen dachten:”Dat’s juist fijn,
’t Bewijst dat wij van adel zijn!”

Toen kwam de boerenkapper aan,
Die had een lange schaar-
En knipte met een grote hap,
Zo maar op éénmaal: knip-knip-knap,
Door àl dat wilgenhaar!
Zij schrokken zelf verbazend,
Maar de andren lachten razend,
En riepen allemaal brutaal:
“Wat bennen jullie nou weer kaal!”

Wil je als vrijwilliger helpen met wilgen knotten?
We zien je graag!

Neem contact met ons op voor meer informatie of meld je aan als vrijwilliger.
Lees meer over landschapsvrijwilligers of hoogstamfruitbomen door op een foto te klikken.

Aanmelden vrijwilliger

Landschapsvrijwilligers

Hoogstamfruitbomen

Search

Nieuws ontvangen?

Schrijf je in en je krijgt van vanzelf het laatste nieuws. Je ontvangt een e-mail met een link om je inschrijving te bevestigen.